Vreemdelingenhater

Vreemdelingenhaters zeggen altijd dat zij ‘niets tegen buitenlanders’ hebben maar dat ‘helaas moet worden erkend’ dat deze mensen ‘objectief’ beschouwd, bepaalde gebreken vertonen. Op die manier versterken ze de vaak gehoorde aantijgingen tegen bepaalde vreemdelingenhaatbevolkingsgroepen (of juist de even ziekelijke lofprijzingen op zogenaamde algemene deugden): joden zijn ‘geldwolven’ maar ‘heel pienter’, negers en Zuid-Europeanen zijn ‘lui’, Amerikanen zijn ‘kinderlijk’, Arabieren ‘achterbaks’. In feite worden deze vage karaktertrekken of slechte eigenschappen – die natuurlijk in elke groep bij de een wel en bij de ander niet voorkomen – gebruikt om er een heel volk mee te typeren, alsof wij mensen geen eigen identiteit hebben maar deze opgedrongen krijgen van het volk waartoe we behoren. (…)
Mensen met angst voor vreemdelingen zijn doorgaans iets voorzichtiger in hun uitlatingen dan pure racisten zoals nazi’s. Zij prediken niet de uitroeiing van buitenlanders of hun aangeboren inferioriteit, maar ze zeggen iets als ‘Het enige dat we willen is dat ze naar hun land teruggaan want hier zijn de mensen anders.’ Hierbij gaat men er vanuit dat landen een homogeen, onveranderlijk karakter hebben dat behoed moet worden tegen elke vreemde besmetting. De werkelijkheid is totaal anders: alle landen zijn ontstaan uit vermengingen en aanpassingen van verschillende bevolkingsgroepen.

Fernando Savater, Goed samen leven. Politiek voor mensen van morgen, Utrecht 1998, 91-92.