Vooruitgang

Eens geloofden de mensen in het einde van de wereld. Kijk in de oude boeken: zie hoe dikwijls en op hoeveel gronden het einde van de wereld is geprofeteerd en voorzien, berekend en verondersteld. Maar natuurlijk, dat was bijgeloof. De wereld werd volwassen. Ze eindigde niet. De mensen ontdeden zich van bijgeloof zoals ze zich ontdeden van hun ouders. Ze zeiden: Trap er niet in, in die oude hocus-pocus. Je kunt de wereld wel veranderen, je kunt haar wel verbeteren. De hemelen zullen niet nederdalen. Het was waar. Korte tijd - het is nog niet zo lang geleden begonnen, vooruitgangnog maar een paar generaties geleden - maakte de wereld haar revolutionaire, progressieve fase door; en de wereld geloofde dat ze nooit zou eindigen, ze zou al maar beter worden. Maar toen kwam het einde van de wereld weer terug, niet als een idee of een overtuiging maar als iets dat de wereld voor zichzelf had vervaardigd in al die tijd dat ze volwassen werd.
Waaruit alleen maar blijkt dat het einde van de wereld als het niet bestond zou moeten worden uitgevonden.
Er is die zogeheten vooruitgang. Maar die gaat niet vooruit. Die gaat nergens heen. Want terwijl de vooruitgang vooruitgaat kan de wereld ontglippen. Het is vooruitgang als je kunt verhinderen dat de wereld ontglipt. Mijn bescheiden vooruitgangsmodel is de winning van land. Het eindeloos herhaald heroveren van wat verloren gaat. Een koppige, nauwlettende bezigheid. Een saaie, maar toch waardevolle bezigheid. Een moeizame, roemloze bezigheid. Maar je moet landwinning niet aanzien voor het vestigen van imperiums.(...) Want als je land drooglegt ben je nauw betrokken bij het water; ...). Wie werkt met water moet het kennen en eerbiedigen. Wie zich de moeite getroost het te onderwerpen, moet beseffen dat het op een dag wellicht verrijzen zal en alle moeite weer tenietdoet.

Graham Swift, Waterland, Amsterdam 1984, 332-333, 22.