Overwin het kwade door het goede

overwin_het_kwade1Een waterdrager in India had twee grote emmers; elke emmer hing aan één kant van een juk dat hij over zijn schouders droeg. Eén van de emmers had een barst, de andere emmer was in perfecte staat. Terwijl die tweede emmer aan het einde van de lange weg tussen de rivier en het huis van de meester een volle portie water afleverde, was tegen die tijd de gebarsten emmer nog maar half vol. Zo ging het elke dag. De waterdrager leverde altijd maar anderhalve emmer wat af in het huis van zijn meester.
Natuurlijk was de goede emmer bijzonder trots op zijn prestaties, omdat hij perfect voldeed voor het doel waarvoor hij gemaakt was. Maar de gebarsten emmer was beschaamd om zijn gebrek en voelde zich ellendig omdat hij maar de helft kon presteren van wat je van hem had mogen verwachten. Hij voelde zich nutteloos en zei op een dag tegen de waterdrager: ‘Ik schaam me en ik wil me bij jou verontschuldigen.’ ‘Waarom?’, vroeg de waterdrager. ‘Waarom schaam je je?’ ‘Omdat ik maar een halve portie water kan afleveren. Door die barst in mijn zijwand verlies ik onderweg voortdurend water. Omdat ik zo weinig kan, moet jij zo hard werken en krijg je niet het volle loon voor je inspanning’, antwoordde de emmer.
overwin_het_kwade2De waterdrager begon te lachen en zei: ‘Als we dadelijk teruggaan naar het huis van mijn meester, moet je eens goed opletten op jouw kant van de weg.’ En inderdaad: toen ze de heuvel opliepen, zag de gebarsten emmer dat de berm vol stond met prachtige wilde bloemen en dat troostte hem. Maar aan het einde van de reis voelde hij zich toch weer ongelukkig, omdat de helft van het water weer was weggelopen en hij verontschuldigde zich opnieuw bij de waterdrager omdat hij weer gefaald had. De waterdrager bekeek de emmer en zei: ‘Heb je dan niet gezien dat er alleen maar bloemen groeien langs jouw kant van de weg en niet langs de kant van de andere emmer? Dat komt omdat ik altijd al wist dat je een beetje lekte en ik heb daar mijn voordeel mee gedaan. Ik heb bloemzaadjes geplant aan jouw kant van de weg en elke keer dat we terugkwamen van de rivier, heb jij ze water gegeven. En zo heb ik telkens prachtige bloemen kunnen plukken om de tafel van mijn meester mee te versieren. Als jij niet zou zijn zoals je nu eenmaal bent, dan zou ik nooit die bloemen hebben kunnen plukken.’

Uit: Samen. Informatiebulletin Protestantse Gemeente Didam, 7 juni 2009, 9.

Go to top