Pedanterie

Vertelt U mij eens: kan iemand, die zich zelf haat, wel van een ander houden? Kan hij het eens zijn met een ander, die het niet met zichzelf eens is? Kan iemand aangenaam zijn, die zichzelf tot last is? Niemand zal deze vraag bevestigend beantwoorden, tenzij hij mij in zotheid overtreft. (...)
Moeder Natuur (die, tussen haakjes, de stervelingen menigmaal maar stiefmoederlijk bedeelt) heeft (...) ieder, maar vooral de meer ontwikkelde, pedanteriede inbeelding ingeschapen, dat een ander meer presteert dan hij zelf. Daardoor wordt alle voordeel, al het mooie en goede, wat het leven biedt, grondig bedorven. (...)
Hoe zal men ooit tot genoegen - hetzij van zichzelf of van anderen - zijn werk kunnen doen (...) wanneer niet Pedanterie (...) erbij te pas komt; Pedanterie, die terecht voor mijn bloedeigen zuster wordt gehouden, aangezien zij mij overal zo voorbeeldig vertegenwoordigt. En toch is niets zo zot als zelfingenomenheid en zelfverheerlijking.
Maar aan de andere kant: kunt ge iets fraais, iets aardigs, iets behoorlijks presteren, wanneer ge niet met U zelf bent ingenomen?
Denkt de pedanterie, die specerij van het leven, eens weg: terstond zal al het vuur verdwijnen uit het betoog van de redenaar, niemand bewondert meer de tonen, die de musicus aan zijn instrument ontlokt, de acteur zal om zijn holle gebaren worden uitgefloten, men lacht de dichter en zijn kunstwerk uit, de schilder kan armoe lijden bij zijn doeken en de dokter zal met al zijn medicijnen honger lijden.

Desiderius Erasmus, Stultitiae Laus, 1511; Lof der Zotheid, Brussel/Amsterdam 1979, 51, 52,53.
Go to top