De olifant

olifant1

Zij begonnen elkaar te vertellen. ‘Oh, wat is zo’n olifant fantastisch’, zei de eerste, ‘zo langzaam en zacht, lang en sterk.’ ‘Nee’, zei degene die de slagtand had gevoeld, ‘hij is nogal kort en erg hard.’ ‘Jullie vergissen je alletwee’, zei de derde die het oor gevoeld had, ‘de olifant is plat en dun als een groot blad.’ ‘Oh nee’, zie de vierde die een poot gevoeld had, ‘hij is net als een boom.’ En de andere twee zeiden: ‘Hij is niet als een muur.’ ‘Hij is net als een touw.’ Ze ruzieden en ruzieden, werden steeds bozer en ze begonnen te vechten.

Toen kwam iemand die kon zien. ‘Jullie hebben allemaal gelijk’, zie hij ‘alle delen samen zijn de olifant.’
 
 
Er waren zes blinde mensen. Zij hoorden dat de koning het volgende dorp bezocht, zittend op een olifant. Niemand van hen had ooit een olifant gezien. ‘Een olifant’, zeiden ze. ‘Ik vraag me af hoe een olifant eruit ziet.’
Zij gingen dat uitzoeken. Ieder apart. De eerste hield de olifant vast bij zijn slurf. De tweede bij een slagtand. De derde bij een oor. De vierde bij een poot. De vijfde bij zijn buik. De zesde bij zijn staart. Toen gingen ze terug naar huis en ieder was ervan overtuigd dat hij wist hoe een olifant eruit zag.

olifant2

Open Deur / Goede tijding 9 (september 1985) 9, 11.