verdriet1

Verdriet

Verdriet is als een boom in de winter:
verhard en zwart wijzen zijn takken
als verwijtende vingers naar de hemel
‘voor mij hoeft het niet meer.’

‘Laat mij staan waar ik sta
het mag vriezen, het mag dooien
het mag hagelen en sneeuwen
het mag stormen en waaien
het doet me niets
het valt in het niet
bij mijn verdriet.’
Zo stond de boom in het winterse land.
De storm brak hem niet
de wind deed hem niet wiegen
en de regen gleed af langs loodzware stam.
‘Voor mij hoeft het niet meer. Ik ben er niet.’


verdriet2Maar onder het zwart van die sombere bast
daar gonsde en gistte het
krioelde en kriebelde het
daar klopte en bloedde het
de winter lang.
Hij boog niet maar barstte
verdriet3 barstte uit
in duizend knoppen
of hij wilde of niet.