Troost

troost1Trouw leidt tot troost, zoals troost trouw veronderstelt. In troost mag de ene de ander nabij komen.
Troost is niettemin delicaat. De ene kan de ander willen troosten, maar de ander moet van troost gediend zijn en dan ook nog door die ene. Troost laat zich slechts gedeeltelijk sturen. De wil tot troosten en getroost worden mag aanwezig zijn, maar alleen vrijlatend en overgevend. Zonder vrijheid en overgave blijft de troost afwezig. Wordt hij naar de hand gezet, hij valt uit de hand. Kwetsbaarheid is zijn pantser, terughoudendheid zijn wapen, bescheidenheid zijn helm. Troost laat zich alleen óverkomen. Hij doet zich slechts voor. Maar komt hij, hij voert ruimte met zich mee en geeft adem, hij verdrijft de onrust en doet de rust weerkeren, hij verkwikt het gemoed en schenkt bemoediging. Felle opstandigheid en doffe berusting wijken voor hoopvol handelen. Troost daagt het leven uit. Hij heeft weet van zijn wisselvalligheden en onvolkomenheden.
Troost bergt het geheim in zich niet verklaard maar aanvaard te kunnen worden.


Antoine Bodar, 'Nieuwe innerlijkheid', in: Trouw, 15 april 1995, 19.