Taal

Er zijn twee talen in de taal, twee manieren van spreken, twee niveaus van taalgebruik. Er is een taal van klare waarheden, begrippen en formules. De taal van de heldere logica, de objectieve informatie, de exacte wetenschap. Er staat wat er staat, je zegt wat je bedoelt, zo precies mogelijk en eenduidig. Spreken is dan: het raadsel ontraadselen: definiëren, omgrenzen. Dit is dit en niet dat: water; en geen stoom, en geen ijs. Hier is niet daar. Eén is één, 2 = 2, dood is dood. (...)
taal Er is een tweede taal, diep onder de eerste, als een veel oudere aardlaag, of wijd om de eerste heen; 'tweede' in aandacht en waardering; en ook weerlozer en bescheidener dan de eerste. De taal van wat eigenlijk niet te zeggen is; die je spreekt om niet helemaal te hoeven zwijgen; taal van ontroering en extase.Die tweede taal is veelduidig, dubbelzinnig, paradoxaal: alles is niets, hier is ver weg, mijn zoon was dood en is weer levend geworden (...).
Geen code van begrippen, maar een taal van beelden en gelijkenissen is die 'tweede taal'. Een woord 'is' een zaad, de graankorrel 'is' een mens. (...)
De tweede taal is de taal van de mythe. Wat mensen geloven dat waar is en zin heeft, wat zij denken dat eeuwig is en oorspronkelijk, wat zij zien dat werkelijkheid is (hoe verschrikkelijk ook), wat zij hopen dat gebeuren zal: dat beelden zij uit in hun mythen. Niet de historisch verifieerbare feiten van ons bestaan, maar de verborgen zin of de gevreesde absurditeit van die feiten willen wij uitspreken, de brandende binnenkant van ons levensgebeuren.

Huub Oosterhuis, En ik zag: een nieuwe wereld. Proeven van bijbelse prediking, Baarn 1984, 52-54.